WONINGEN UIT DE PERIODE 1950 – 1970

KENMERKEN SOCIALE WONINGBOUW
Zowel de hoogbouw als de eengezinswoningen zijn sober en eenvoudig van opzet, met zowel platte als hellende daken. 
De eengezinswoningen zijn opgetrokken met relatief weinig metselwerk. De hoogbouw is uitgevoerd als stapelbouw, waarbij betonnen vloeren zijn toegepast op gemetselde draagmuren.

De gevelopeningen bestaan uit verdiepingshoge kozijnen van vurenhout, waarbij de houtzwaarte minimaal zijn gedimensioneerd. De houtkwaliteit is over het algemeen slecht.
De borstweringen zijn voorzien van schrootjes, geprofileerde metaalplaat, eternietplaat of glas (draadglas of zwart glas).

In de kozijnen is uitsluitend enkel glas toegepast en ten aanzien van de akoestische en thermische isolatie zijn nauwelijks of geen voorzieningen getroffen.

Als dakafwerking zijn zowel keramische als de veel goedkopere betonnen sneldekpannen toegepast. De platte daken zijn met bitumineuze producten afgewerkt. De zinken mast- of bakgoten zijn krap gedimensioneerd.

De eengezinswoningen zijn begin jaren 1950 nog uitgevoerd met houten vloeren, later zijn de begane grondvloeren in beton uitgevoerd.

De wandafwerkingen in keukens, natte cellen en lambriseringen voornamelijk betonemaille. Tegelwerk is in geringe mate toegepast. In de natte cellen komen terrazzovloeren frequent voor. In de eengezinswoningen zijn de plafonds afgewerkt met zachtboardplaten.

Begin zestiger jaren zijn diverse systeemwoningen geïntroduceerd zoals, Dura-coignetwoningen (volledig geprefabriceerde betonnen trappenhuiswoningen), Era-flats (galerijflats met kenmerkende red ceder kozijnen), Muwi-woningen, etc. Woningen worden hiermee tevens wat ruimer van opzet.


KENMERKEN VRIJE SECTORWONINGBOUW
Zowel de hoogbouw als de eengezinswoningen zijn gevarieerder van opzet, met zowel platte als hellende daken. Ter plaatse van de voordeurkozijnen werden geprefabriceerde betonnen architraven toegepast.
Gevelmetselwerk wordt ruimer toegepast, waarbij de geglazuurde gevelstenen en verblendstenen veelvuldig zijn toegepast.. De hoogbouw is uitgevoerd als stapelbouw, waarbij betonnen vloeren zijn toegepast op gemetselde draagmuren.

De gevelopeningen bestaan uit kozijnen van vurenhout, waarbij de houtzwaarte minimaal zijn gedimensioneerd. De houtkwaliteit is over het algemeen slecht. IN de periode 1960-10970 zijn veelvuldig stalen draaiende delen in houten kozijnen toegepast.
De borstweringen zijn voorzien van schrootjes, geprofileerde metaalplaat, eternietplaat of glas (draadglas of zwart glas) maar ook gemetselde borstwerkingen komen voor.

In de kozijnen is uitsluitend enkel glas toegepast gezet in aluminium condensgoten. Ten aanzien van de akoestische en thermische isolatie zijn nauwelijks of geen voorzieningen getroffen.

Als dakafwerking zijn zowel keramische als de veel goedkopere betonnen sneldekpannen toegepast. De platte daken zijn met bitumineuze producten afgewerkt. De zinken mast- of bakgoten zijn krap gedimensioneerd.

De begane grondvloeren van de eengezinswoningen zijn begin jaren 1960 in beton uitgevoerd en de verdiepingsvloeren in hout. Later zijn alle vloeren uitgevoerd in beton.

De wandafwerkingen in keukens, natte cellen en lambriseringen grotendeels in tegelwerk, gecombineerd met terrazzovloeren of vloeren met dubbel hard gebakken vloertegels. In de eengezinswoningen komen houten schroten als wand- of plafondafwerking regelmatig voor. 

Vloeren in hallen, afwerkingen van schoorsteenmantels zijn afgewerkt met het zogenaamde Sollenhoffer breuksteen (een natuurlijk zandgesteente) of kwartsiet (porfier-uitvoering).


PROBLEMEN EN AANDACHTSPUNTEN
Voor nagenoeg alle toegepaste vurenhouten gevelkozijnen en ander gevelonderdelen geldt dat deze in meer of mindere mate onderhevig zijn geweest aan houtrot.
Bij de meeste woningen zijn de aangetaste gevelkozijnen en gevelonderdelen inmiddels vervangen door kozijnen in hardhout, gemoffeld aluminium of kunststof. Voor de overige gevelonderdelen is en wordt veelvuldig het zogenaamde volkern plaatwerk toegepast. 

In de periode 1965 tot 1981 zijn veel eengezinswoningen uitgevoerd met geprefabriceerde betonnen begane grondvloer van het fabrikaat Kwaaitaal of Manta.
Bij een groot aantal van deze woningen zijn gebreken aan deze vloeren geconstateerd in de vorm van corroderende wapening. Destijds is een verkeerde of een te grote hoeveelheid calciumchloride aan de betonmortel toegevoegd, waardoor de wapening in de constructieve delen ernstig is gaan corroderen met als gevolg deformatie van de beton.
Het herstellen van deze vloeren is in de meeste gevallen een kostbare aangelegenheid.